
Nu alweer een week geleden werden de fictieve sleutels van Lingewaard overgedragen aan de kernen van onze gemeente. De figuurlijke macht kwam hierbij te liggen bij de mensen die op dat moment de scepter zwaaiden over het geheel.
De prinsen, prinsessen en hofdames van de carnavalsverenigingen. Optochten gevuld met deelnemers, en wagens met de meest zotte thema’s trokken door de straten. Bij daglicht en traditiegetrouw ook in het donker. Feestvierders gingen helemaal los en de drank vloeide rijkelijk.
Na al deze vrolijkheid kwam onze burgermoeder “herself” persoonlijk alle sleutels weer ophalen om zo de macht over Lingewaard terug te verwerven, en daarmee konden we met zijn allen weer overgaan tot het “normale” leven
Vroeger betekende deze overgang voor alle katholieken dat zij het askruisje moesten gaan halen op de traditionele Aswoensdag na de carnaval en dat de veertig dagen van vasten en bezinning tot aan Pasen waren ingegaan. Geen vlees eten op Aswoensdag en de vrijdagen. In de tijd dat ik op de basisschool zat was dit ook een periode van geen koek en geen snoep.
Vervelend maar geen ramp want gewapend met een trommeltje sloegen we ons kranig door deze dagen heen en namen gewoon alle snoepjes en koekjes die we kregen aan en verzamelden deze netjes in ons eigen snoeptrommeltje. Heerlijk ouderwets snoep ook nog vaak zoals zoethout, koetjesrepen, dropmatten en zwart/wit-staven. Veertig dagen lang hielden we het verzamelen vol. En met Pasen mocht de trommel dan eindelijk open en aten we ons vervolgens ongans aan alles wat we de afgelopen tijd zorgvuldig hadden vergaard.
Nu ik er op terugkijk lach ik om het feit dat we daar zo streng aan meededen. Maar ja iedereen in onze omgeving deed het dus het was een gewoonte die elk jaar weer terugkwam.
De jeugd van tegenwoordig heeft veelal weinig benul van de betekenis van carnaval en de bedoeling van de vastentijd die daarop volgt.
Zij vieren carnaval uitbundig en pakken daarna de draad van alledag weer op om daarbij alweer voorzichtig vooruit te kijken naar de vrije dagen die Pasen met zich meebrengt, want meer is het tegenwoordig niet meer. Niks mis mee natuurlijk, maar misschien is het toch goed om heel even stil te staan bij de onderliggende gedachten van de vastentijd.
Een tijd waarin men aandacht vraagt voor de mensen, waar dan ook ter wereld, die het niet zo goed hebben. Die niet elke dag te eten hebben, en veelal geen dak boven hun hoofd hebben. Dachten we daarbij vroeger vooral aan de derde wereldlanden, tegenwoordig bevinden deze mensen zich steeds vaker vlak onder onze ogen. Niet altijd even zichtbaar omdat ze zich schamen voor de situatie waarin ze verkeren. Helaas is armoede overal om ons heen.
Mensen verliezen hun baan, kunnen de huur of hypotheek niet meer betalen, en zijn vaker dan ooit aangewezen op schuldhulp en/of voedselbanken. En het moge inmiddels duidelijk zijn dat het er met de huidige volgevreten bestuurders de komende jaren niet beter op gaat worden in ons land.
Moeten we met zijn allen misschien voorzichtig gaan denken aan het herinvoeren van het aloude “snoeptrommeltje”? Moeten we alles wat ons wordt aangeboden koesteren en het angstvallig gaan bewaren voor tijden waarin we het heel hard nodig zullen gaan hebben?
Slechts vijf dolle dagen hadden we de sleutel en de macht over ons eigen dorp of stad. Voor de rest van het jaar blijven we overgeleverd aan de wijsheid en beslissingen van diegenen in wiens handen we ons vertrouwen hebben gelegd voor de toekomst.
Laten we hopen dat deze sleutelfiguren niet alleen hun eigen trommeltje maar vooral ook onze trommeltjes gaan vullen zodat we ons ook aan het einde van hun bestuursperiode tegoed kunnen gaan doen aan al het lekkers dat ons aan het begin is beloofd.
Want anders wordt het op een houtje bijten. En ik vrees dat dat geen zoethout zal zijn deze keer.